- 030 – 6773998
- [email protected]
- Maandag - vrijdag : 08:30 - 17:00
De ouder-kindvrijstelling voor de schenkbelasting voldoet nauwelijks meer aan de doelstellingen bij invoering in 1917, oordeelt Financiën na onderzoek. Het ministerie adviseert de minister om de vrijstelling te heroverwegen.
Staatssecretaris Eerenberg van Financiën stuurt de eerste evaluatie van de ouder-kindschenkvrijstelling door het ministerie en de fiscus aan de Tweede Kamer. Schenkingen van ouders aan kinderen kennen een hogere jaarlijkse vrijstelling, die in 2026 € 6.908 bedraagt. De evaluatie is mede gebaseerd op een enquête waarin burgers is gevraagd naar hun schenkgedrag.


Jaarlijks wordt ruim 50.000 keer gebruik gemaakt van de schenkingsvrijstelling waarbij de schenking hoger is dan het vrijstellingsbedrag. Op basis van een steekproef schat Financiën dat zo’n 183.000 keer op jaarbasis een schenking wordt gedaan die onder de vrijstellingsgrens ligt. Zo’n 12.700 keer gaat het om een puur fiscaal gedreven papieren schenking van precies het vrijstellingsbedrag.
Voor 84% van de schenkers die onder de vrijstellingsgrens blijven, is fiscaliteit dan ook het belangrijkste motief. 45% wil ‘fiscaal gunstig vermogen overdragen’ en 39% zegt op die manier erfbelasting te willen besparen. Daarnaast geeft 48% aan dat het (neven)motief is om een financieel extraatje te geven aan de kinderen. Wie een schenking doet boven de vrijstelling, doet daar in een kwart van de gevallen geen aangifte van.
Uit de evaluatie blijkt dat “de wetgever de hoogte van de ouderkindschenkvrijstelling niet heeft gemotiveerd vanuit de doelstellingen die ze in 1917 aan de vrijstelling heeft meegegeven.” De overheid vond het destijds maatschappelijk onwenselijk om kleinere schenkingen van ouders aan hun kinderen te belasten, de wetgever wilde voorkomen dat uitgaven vanuit de wettelijk onderhoudsplicht zouden worden belast en de wetgever wilde met de vrijstelling de verwachtingswaarde tot uitdrukking laten komen in de schenk- en erfbelasting (een schenking door ouders ligt meer in de lijn der verwachting dan een schenking van een ander familielid). “Bovendien is de samenleving sindsdien veranderd. Een verschil in de hoogte van de schenkvrijstelling tussen kinderen en overige verkrijgers is minder vanzelfsprekend dan begin vorige eeuw.”
Bij de invoering van deze specifieke schenkingsvrijstelling ging het om een relatief groot bedrag, dat afhankelijk van het inkomen varieerde van 2.000 tot 5.000 gulden, omgerekend maximaal ruim € 52.000.

Reden voor de hoge vrijstelling in de beginjaren was dat uitkeringen die voortvloeiden uit de wettelijke onderhoudsplicht voor kinderen ook als schenking werden aangemerkt. Maar dat is sinds 1981 niet meer het geval. “Daarmee lijkt de tweede oorspronkelijke doelstelling van de vrijstelling achterhaald te zijn, omdat het niet belasten van uitgaven voor levensonderhoud al bereikt wordt door deze niet langer als schenking aan te merken.”
Verwachtingswaarde
Het aspect van de verwachtingswaarde wordt al ondervangen door de lagere tarieven voor schenkingen van ouders aan hun kinderen, aldus het rapport, en in de meeste situaties hangt het schenkmotief niet samen met de wettelijke zorgplicht. “Daarom lijkt het aannemelijk dat de hoogte van de vrijstelling vanuit specifiek deze doelstelling bekeken een significante deadweight loss kent. De mate waarin een eventuele lagere vrijstelling leidt tot meer discussies met de Belastingdienst (minder doeltreffendheid) kan echter niet kwantitatief onderbouwd worden.”
Vrijstelling minder vanzelfsprekend
Kortom: de hoogte van de ouder-kindschenkvrijstelling is niet goed gemotiveerd vanuit de oorspronkelijke doelstellingen en daarom is de doelmatigheid van de vrijstelling “hooguit beperkt”. “De wetgever zou er om die reden goed aan doen om de hoogte van de vrijstelling te heroverwegen en daarbij ook rekening te houden met de maatschappelijke veranderingen ten opzichte van 1917. Zo zijn er meer belastingplichtigen zonder kinderen. Een verschil in de hoogte van de schenkvrijstelling tussen kinderen en overige verkrijgers is daarmee minder vanzelfsprekend dan begin vorige eeuw. Het kan een overweging zijn om de schenk- en erfbelasting relatieonafhankelijker te maken.”
Reactie over enkele maanden
De uitkomsten van de evaluatie worden de komende tijd gewogen, laat Eerenberg weten. “Zoals beschreven in de begrotingsregels van dit kabinet geldt als uitgangspunt dat voor een negatief geëvalueerde fiscale regeling moet worden bezien of de regeling wordt afgeschaft, versoberd, hervormd of gemotiveerd gehandhaafd.” Het kabinet komt later in het voorjaar met een inhoudelijke reactie.
